Dordtse kajak- en kanovereniging Dajaks
actueel
vereniging
toertochten
opleidingen/cursussen
tochtplanning
techniek
foto's seizoen 2018
foto's seizoen 2017
foto's seizoen 2016
foto's seizoen 2015
foto's seizoen 2014
foto's seizoen 2013
foto's seizoen 2012
foto's seizoen 2011
foto's seizoen 2010
foto's seizoen 2009
foto's seizoen 2008
foto's seizoen 2007
foto's seizoen 2006
foto's seizoen 2005
werkzaam in de Biesbosch
kanoverhalen
kanoverhalen
Donaufahrt 2004
Lahn
De Honderd
Veluwerally 2006
Biesboschronde 2006
filmpjes
De Biesbosch
contact
aanvragen lidcode
ledenpagina's


zoek met google



facebook icoon twitter icoon
Verslag Donaufahrt 2004

Vrijdag 25 juni, nog voordat de schoolvakantie officieel begon, vertrokken wij in alle vroegte naar het zuiden voor onze kanovakantie. Op mijn golf-variant paste met gemak de drie boten en ook de bagage was geen enkel probleem. Halfacht weg uit Dordt en nog voor etenstijd waren we bij Passau, zo’n 900 kilometer verderop. Tijdens de tocht natuurlijk veel naar Boban Markovic geluisterd, want ons enthousiasme voor het einddoel was duidelijk: Belgrado, de hoofdstad van Servië-Montenegro.

We kampeerden op een camping met de toepasselijke naam: Drei-Flussen-Camping en herinnerden ons Passau, waar Ilz, Inn en Donau samenkomen. Het veldje waar we stonden was geheel uitgestorven: we waren de vakantiedrukte duidelijk vóór gebleven. De volgende ochtend zo’n lekker duits dunkel-brood gekocht en we konden er weer tegenaan. Vignet gekocht en over de nagenoeg verlaten en zonovergoten Oostenrijkse wegen scheurden we (windje mee!) richting Hongarije. Natuurlijk nog wel even koffie gedronken in Melk bij het ons zo bekende Gasthof Jensch aan de Donau. Leuk om tijdens zo’n autotocht telkens weer langs plekken te komen die bij vorige tochten zo’n belangrijke rol gespeeld hebben. Minder leuk om te zien hoe het water augustus 2002 hier had huisgehouden: het gasthof stond toen tot aan de dakrand onder water. Voor mevrouw Jensch betekende dit een vroegtijdig einde van het seizoen, een winter lang wachten tot de boel opdroogde en daarna proberen de zaak weer op te bouwen. Twee jaar later kon je er genietend van de koffie eigenlijk helemaal niets meer van deze ellende merken. Alleen de markering op de buitenmuur en wat foto’s in het restaurant vertelden ons van het gebeuren.
De M1 in Hongarije is een prachtige moderne snelweg, het is alleen vervelend dat hij moet eindigen in het sinds 1956 volkomen gedesintegreerde Budapest. Via veel hobbels en kuilen bereikten we heelhuids en zonder panne het eindpunt van de vorige tocht: Szentendre.
Camping Papsziget lag er nog net zo bij als drie jaar geleden. De camping ligt op een eilandje (Sziget) in de Donau (Duna) en kijkt op zijn beurt weer uit op een veel groter eiland; de enorme knieschijf die zich uitstrekt van Visegrad tot voorbij Szentendre.
Alweer een heel veld nagenoeg voor onszelf.
Zondag was rustdag, een dag om te acclimatiseren, kennis te maken met de muggen, Szentendre te bezoeken en voor Rutger aanleiding om in een internetcafé zijn zaakjes met het thuisland te regelen. Daaf en ik hebben zich intussen tegoed gedaan aan een lekker Hongaars biertje, want ook daaraan moet je wennen, terwijl op de achtergrond wat Servische muziek klonk. Ook hebben we een plek gezocht voor de auto, op de camping vonden ze het geen enkel probleem om mijn bolide daar achter te laten.
’s-Avonds weer volop kunnen genieten van kikkerconcerten en uiteraard de tot diep in de nacht blaffende honden, waar Hongarije zo bekend om is.

Maandag 28 juni werd het eindelijk serieus: peddelen richting Budapest. Onder uitstekende weersomstandigheden voeren we in de richting van de stad. Tot vlak voor de stad waren de oevers flink begroeid. Ook beseften we al snel waarom Hongarije serieus meetelt op wereldniveau als het gaat om kanoën en roeien: we zagen veel sportlui driftig stroomopwaarts gaan.
Of Budapest, de parel van de Donau, vanuit de kano nu wel zo interessant is, wil ik hier graag in het midden laten. Behalve het imposante parlementsgebouw en de ijzeren brug zie je veel hoge kademuren en het tot ver buiten de stad voortrazend verkeer. Maar goed, later werd alles weer rustig, wel moesten we nog een aantal kilometers over een stuk dat werkelijk bezaaid was met pet-flessen. Waarschijnlijk hebben ze in Hongarije het statiegeld op die dingen al afgeschaft.
In de buurt van Ercsi is een veer en volgens de kaart en de gegevens op internet zou hier een camping moeten zijn. Niemand kon dit echter bevestigen. Wel hoorden we dat een paar kilometer verderop vrij goed wild te kamperen viel en weer een kilometer verder zou aan de overzijde een goed restaurant zijn. Dit laatste hebben we het eerst opgezocht. Het uitstappen gebeurde bij een hellinkje waar een enkel bootje en een jet-ski lagen. Op de wal stond een caravan, blijkbaar van iemand die hier de hele zomer zou staan. Het restaurant was inderdaad niet mis, buiten hebben we kunnen genieten van de Hongaarse keuken.
Omdat er onweer dreigde, gingen we vrij vlot weer terug naar de boten, we moesten de rivier immers nog oversteken. Dit ging minder makkelijk dan we gedacht hadden. Daaf had al lont geroken en zat in een mum van tijd in z’n bootje. De kajak van Rutger en mij werd echter ‘aan de ketting gelegd’, twee kinderen trokken aan touwen de boten de wal weer op, terwijl een man ons gebood 1500 forinten (ongeveer € 6,-) te betalen voor het gebruik van de steiger. Rutger (drager van de pot) was niet van plan om ook maar één eurocent aan dit gespuis weg te geven. Maar ja, dreigend onweer, onbekende omgeving. Inmiddels waren er ook wat omstanders getooid met tatoo’s en gouden kettingen komen opdraven. Uiteindelijk leek het slimmer het af te maken op 1000 forinten.
Na wat tegen de stroom opgepeddeld te hebben, hielden we de mooie strandjes die we eerder passeerden voor gezien: een druk bemand bootje vertrok vanaf de beruchte helling ijlings in dezelfde richting, waarschijnlijk om daar ook een kassa te installeren.

Zo’n 5 kilometer stroomafwaarts, het weer was inmiddels aardig opgeknapt, kwamen we bij het veer van Adony en aan de overkant van dit stadje gingen Daaf en Rutger ter oriëntatie de wal op terwijl ik bij de boten bleef en welhaast opgevreten werd door twintigduizend muggen. Aan de wal was een veerhuis en van de cheffin kregen we toestemming om op een keurig grasje achter het veerhuis onze tenten in het pikkedonker op te zetten. Later nog aan het Sör in het veerhuis en daarna snel de tent in want de muggen lieten ons niet ongemoeid. Bovendien, de dagafstand was een dikke 55 kilometer en we hadden onze nachtrust wel verdiend.
De route ging deze keer door een gebied dat soms aan onze vertrouwde Merwede deed denken, maar dan flink stromend en met oevers die net wat meer variatie bieden dan thuis. Veel strandjes ook, met af en toe een mooie Büfe. Halverwege de indrukwekkende industriestad Donaúváros uit de grond gestampt in de Sovjettijd. Gelukkig bevond deze stad, net zoals de meeste andere steden aan de Hongaarse Donau, zich aan één oever en kon je er zonder al te veel ongemak of ergernis aan voorbij varen. En voordat we het goed en wel in de gaten hadden voeren we langs een prachtig begroeid heuvellandschap met een voor Hongaarse begrippen schitterende bebouwing. Er wordt flink geïnvesteerd in dit land.
In Dunaföldvár troffen we een heuse camping, dat wil zeggen, direct na het strand konden we onze tenten plaatsen op een verder leeg terreintje. Of het sanitair nu van een kanovereniging of van een kampeerbeheerder was, heeft men ons in hun gebrekkige Duits niet duidelijk kunnen maken. In Dunaföldvár lasten we een rustdag in, na 105 kilometer vonden we dat wel nuttig. Een aardig stadje met één van de weinige bruggen die je na Budapest nog tegenkomt. De tweede avond heb ik gekookt, al was het maar omdat ik aan het eind van de tocht niet het gevoel wilde hebben mijn pannenset voor niets mee te hebben genomen. Met het restaurant, dat aan de voet van een historische uitkijktoren stond, was overigens niets mis.
’s-Avonds in de schemering een drietal uilen op het strandje en in de bosjes vóór onze tent.
’s-Nachts in de tent tijdens halfslaap nog even wakker geworden van een oorverdovend lawaai waarvan niet duidelijk was of het een slecht onderhouden motorboot of een opgevoerde Lada betrof. Het stonk daarna wel verschrikkelijk naar petroleum…

Donderdag 1 juli ging onze tocht verder richting Paks. Behalve de stad, de pauze hebben we gehad aan een druk strand aan de overzijde, is hier ook nog even buiten de stad de Paks-2 kernreactor (waar april 2003 nog serieuze problemen waren) die flinke hoeveelheden afvalwater loost op de rivier. Of het nu lag aan deze reactor of aan de stad zelf, de kwaliteit van het water bleef lange tijd bijzonder slecht.
Bij Gerjen besloten we om ook deze keer bij een Büfe aan te kloppen met het idee om daar onze tenten op te slaan. Uiteindelijk zijn we toch maar naar de overzijde gepeddeld, waar wij door onze kijker een prima restaurant ontdekten. Je moet dit zelf ontdekken, dat lijken de Hongaren zo te willen. Op zijn zachts gezegd zijn zij weinig mededeelzaam. Toch bleek het geen enkel probleem om onze tenten op een veldje vóór het restaurant op te zetten. Alweer een spectaculair alternatief voor het wild kamperen in de gribus, alwaar de muggen huishouden. De Hongaren blijken een fantastisch middel te hebben tegen muggen: rond negen uur verscheen in de verte een zwaar ronkende pick-up. Op de laadbak was een soort van knallend kanon geïnstalleerd en dit veroorzaakte een enorme rookwolk. De petroleumlucht, daar was-t-ie weer, volgens insiders absoluut ongevaarlijk voor de mens, moest de muggen doden. De muggen trokken er zich overigens niet veel van aan.
De volgende dag voerde onze tocht langs een steeds stiller landschap. Het aantal zijtakken nam toe, veel eilandjes en binnengebiedjes, maar ook de fauna werd steeds interessanter: ooievaar, kraanvogel, wouw, arend, ze waren allemaal rijk vertegenwoordigd. De laatste 20 kilometer gingen we dan ook dwars door het Dúna-Drava Nemzeti-park.

Bij Baja, was ons wederom verteld, zou een camping moeten zijn. Langs een zijkanaal richting Baja werd inderdaad volop gekampeerd, maar de camping had de allure van onze Kerksloot. Behalve een toilet was er gelegenheid om te douchen in de open lucht, er was een Büfe en in de verte lonkte een restaurant. Een vrijplaats waar men driftig in grote potten zijn goulash stoofde en in de stad klonk de drukte van een kermis. Weekend voor de Hongaren en wie weet, misschien het begin van hun vakantie. Hier werd druk geoefend in C1-wedstrijd boten, het meest door vrij jeugdige fanaten. Maar ook nu opvallend weinig belangstelling voor onze onderneming.
De gang naar het restaurant was veel langer dan vermoed: de weg voer langs een zijtak van het kanaal dwars door het ruige en mugrijke buitendijks gebied. Na een memorabele wandeling kwamen we uiteindelijk bij een ander restaurant aan, waar mobieltjes weer opgeladen en magen gevuld werden.
Na middernacht tot vroeg in de ochtend schalde keiharde house-muziek van onze buren over de kampeerplek, maar ook hier stoort een Hongaar zich niet aan.
In alle vroegte peddelde onze bijzonder actieve Rutger naar het stadje om brood te kopen. Nog voor tienen in de boot op weg naar Mohács de meest zuidelijk stad aan de Hongaarse Donau.
Een tocht vergelijkbaar met de vorige: Een fantastisch natuurgebied met rijk gevarieerde oevers en een overdaad aan vogels. Ook op dit traject troffen we nauwelijks scheepvaart of iets anders dat ons zou kunnen herinneren aan de 21ste eeuw en zo voorpeddelend waanden we ons al snel in andere wereld in een andere tijd. Tot ver achter de oevers en tot ver voorbij de horizon strekte zich de verlatenheid uit. We raakten steeds intenser verbonden met deze wonderschone rivier.

In Mohács had Big Brother ons al lang en breed zien aankomen: nog voordat we waren uitgestapt, wachtte een diensdoende douanebeambte ons op. Een uur, drie kantoortjes en 9 formulieren later konden we weer verder nadat ons te verstaan was gegeven dat we bij kilometerpaal 1426 ons nogmaals moesten melden. Een zestal uniformen, gewapend met zaklampen en wapenstok, droop af toen ze eenmaal in de gaten kregen dat onze bootjes pontificaal op de veersteiger in de kijker lagen. Voordat we verder gingen hebben we een maaltijd genuttigd en daarna zouden we een kampeerplek zoeken.
Een vijftal kilometer verderop vonden we de plek van ons leven. Vanaf een strandje klommen we naar de vlakte daarachter en hier bleek zich een schitterend oerlandschap te bevinden: open, hier en daar een boom of struikgewas, afgewisseld met wat bosjes. In het noorden zagen we de top van de Zengö. Een vrij droog gebied mooi op de wind, dus minder kans op muggen.
Onder een boom kampeerden een groepje jongeren, maar zo te horen hadden ze geen radio o.i.d. bij zich. In de verte een herder met zijn kudde schapen. Een visser had op het klifje plaatsgenomen. Om kort te gaan, een ideale kampeerplek!
Jongeren spreken in Hongarije al iets meer Duits dan hun oudere landgenoten en zodoende was er ook nog enige communicatie mogelijk. Genoten van prachtig avondlicht en met de herder hebben we een Rutte genuttigd, waarna we in de slaapzak voldaan konden terugkijken op een enerverend en succesvol dagje. Wel bleven de kinderen tot vroeg in de ochtend met elkaar kletsen en zingen, maar echt storend was dat niet.
’s-Ochtends al vroeg afscheid genomen van de herder en zo peddelden we in de richting van de Servisch-Kroatische grens. Een paar kilometer voorbij de grens kwamen we bij een bocht met daarachter links en rechts bewoond gebied. Jozi, de beheerder van het ‘restaurant’ en ‘bungalowpark’ stond ons al op te wachten. Een hartelijk welkom en wat vreemd smakende koffie waren ons deel. We begrepen van Jozi, een schilderachtig figuur met een zeer incompleet gebit en des te hartelijker lach, dat we in Servië waren.

Na de koffie besloten we snel door te varen om nog op tijd te kunnen inchecken bij de volgende douanepost. Bij de aangewezen plek ben ik nog aan wal gegaan om daar slechts op het oog verlaten fabrieksgebouwen te treffen. Verder peddelen en na een half uurtje zagen we aan de Kroatische kant een strandje en iets wat op een Büfe leek. Misschien konden we daar brood kopen. Nauwelijks uitgestapt kwamen twee agenten naar ons toe en vroegen onze papieren. Vervolgens veel getelefoneer over en weer. Wij hadden het ons intussen makkelijk gemaakt bij het terrasje en de eigenaar, die zich eerst nog optimistisch uitliet over de wild- kampeermogelijkheden van zijn land, bleef ons uitgebreid trakteren op knabbeltjes en vis, min of meer in verlegenheid gebracht door de dikdoenerige agenten. Na een half uur begrepen we dat we aan de Kroatische kant voorlopig niet welkom waren, we behoorden tot Vukovar (50 kilometer verderop waar Kroatië weer ophoudt) aan de Servische kant te blijven. Bovendien zat er nog geen stempel in ons paspoort. Goede raad was duur. Aan de andere oever liepen we waarschijnlijk dezelfde risico’s, doorvaren lag niet echt voor de hand. Terug was altijd nog een kleine twee kilometer stroomopwaarts maar bij vertrek hadden we nog een Russische salonboot zien aanmeren, bij de plek waar ik nog was gaan zoeken.
Toch maar teruggevaren en nu ging Rutger op onderzoek uit. Een drie kwartier later komt hij terug: ‘Das sollte ich mit meine Freunden überlegen müssen’ hoorden wij hem zeggen. ‘Ze willen 50 euro de man’, was zijn opmerking naar ons. We besloten terug te varen naar Jozi om daar te overleggen en mogelijk ook te overnachten, het was inmiddels al laat geworden.
De zogenaamde ‘captain’ die met drie medewerkers het verlaten douanekantoor bestierde, was uit zijn slaap gehaald en besliste dat we de 50 euro moesten betalen om een of ander vaag en niet getoond reisdocument te bemachtigen. Als we bevestigd zouden krijgen dat daarmee alles in kannen en kruiken was, was het leed nog te overzien, maar het leek ons raadzaam om eerst uit te vissen hoe of wat precies gebruikelijk was aan de grens. Dat het naar corruptie stonk wist Jozi ons breed lachend te bevestigen.
Bij Jozi konden we overnachten in één van zijn ‘bungalows’, een gribushuisje waar alles uit elkaar viel en bovendien te vies was om aan te raken. Maar ja, voor 6 euro de man doe je niet moeilijk, zelfs als je jezelf met bruinig water staat te douchen. Bovendien: ín het huisje geen muggen! Bij het terrasje kregen we geen menukaart, maar wel een enorme vleesschaal aangeboden en zo konden we de avond doorbrengen, terwijl er aan een andere tafel flink werd meegezongen met een Servisch zigeunerorkestje. En dan niet te vergeten de fantastische verhalen die Jozi ons wist te vertellen, hoe hij tijdens de oorlogsjaren in Duitsland zwierf en gevierd werd als Professor-Doctor om na alle wederwaardigheden terug te keren naar zijn geboorteland om aldaar te genieten van de eenvoud. Nu geen Palinka, maar Slibovi? om de stemming te verhogen.
Op maandagochtend probeerde Rutger contact te krijgen met de Nederlandse ambassade, maar het duurde nog tot twee uur voordat hij eindelijk iemand aan de lijn kreeg die meer wist. Het blijkt heel gebruikelijk, dat er aan grensovergangen geld gevraagd wordt, 1000 euro voor een vrachtschip is geen uitzondering en duidelijk werd dat hier niets over vastligt en dat er ook niet tegen geageerd wordt.
Aan goede raad bleek nu een stevig prijskaartje te hangen: behalve deze overgang zouden we nog minimaal tweemaal de grens moeten passeren: met de auto op weg naar Servië én op de terugweg met drie kano’s op het dak. De ‘autoriteiten’ zouden hun zakken nog goed kunnen vullen. We besloten dat we op deze manier net zo goed onze portemonnee ter plekke in de Donau konden werpen: het eind was immers zoek.

Uiteindelijk deed ik een idioot, maar even simpel voorstel: laten we terugpeddelen naar Hongarije: terug naar de schaapsherder om daarvandaan de auto weer op te halen. Ikzelf zag hier nog het meest tegenop; veertien kilometer tegen de stroom terwijl mijn linkerarm sinds de vorige dag behoorlijk opspeelde. Toch kreeg ik instemming van de anderen en na drie en een half uur peddelen stonden we weer op onze wereldstek. De jongelui hadden hun boeltje ingepakt en werden later met de trekker opgehaald, dat beloofde een rustige nacht te worden. Met de herder spraken we af dat hij op de spullen zou letten terwijl wij dinsdag de wagen zouden ophalen.
Dinsdag wandelden we de vijf kilometer naar Moháks, daarna namen we een bus naar Pécs en na een flinke middagpauze de intercity naar Budapest. Een bijzonder mooie tocht, voor een groot deel door het heuvelgebied dat zich ten westen van de Donau uitstrekt.
Rond halfzeven vertrokken we weer naar het zuiden, aten in Ercsi en via levensgevaarlijke situaties op de tweebaanswegen naar onze eindbestemming.
In het aardedonker vonden we uiteindelijk het pad dat ons stapvoets naar de tenten leidde. Onder een overweldigend heldere sterrenhemel kwamen we weer helemaal tot rust.
De volgende ochtend de herder getrakteerd op een fles Palinka, de boel opgebonden en de eerste kilometers wandelend vertrokken richting Heimat. Na het provinciale deel konden we de snelweg gelukkig bereiken zonder eerst nog dwars door Boedapest te gaan.
Een vignet voor Oostenrijk kun je beter niet aan een Hongaars benzinestation kopen: ze vroegen maar liefst €24,- i.p.v. de gebruikelijk €7,20! Uiteraard hebben we dit geweigerd.
’s-Avonds hebben we gekampeerd in Melk bij Fährhaus Jensch en de volgende ochtend de eerste echte regen gevoeld. Tent nat ingepakt en dan spoorslags naar Dordrecht, de laatste 1100 kilometer deden we in twaalf en een half uur, heel netjes!

En het vervolg? Voor ons drieën was deze tocht absoluut de moeite waard, jammer dat we Belgrado niet bereikten, maar alle andere ervaringen hebben genoeg impact gehad om met een voldaan gevoel terug te kijken. De afronding van het hele Donau-project doen we naar alle waarschijnlijkheid onder de hoede van de TID. Met een grotere groep en een goed geoliede organisatie op de achtergrond lopen we hopelijk minder risico op een leeggeplunderde knip.

Jan